Poldermanie

Polderman heeft iets gelezen- Kees Slager

Polderman heeft iets gelezen- Kees Slager
Wanneer mijn geliefde mij hoort foeteren dat het bespottelijk is dat de eetrijpe avocado die ik kocht níet eetrijp is en dat ze het er dan ook niet op moeten zetten, dat het trouwens ook idioot is dat ze geen Surinaamse massala hebben bij onze buurtsuper maar enkel Indiase, als ik onstuimig op de router sta te raggen ‘omdat die schijtwifi het hier nóóit doet’, of kerm dat het zóóó waaaarm is, zelfs te warm voor niksdoen, dan ontpopt hij zich als kordate hulpverlener en zorgt ervoor dat het Slagerprotocol in werking treedt: Hij zet me op de bank, drukt een boek van Kees Slager in mijn woedend gebalde damesknuistjes, en buldert: “Lezen. Nú.”

Slager tekende verhalen op van ‘de gewone man’, vaak Zeeuwse landarbeiders, begin vorige eeuw geboren. Deze generatie zwoer bij inmiddels jammerlijk achterhaalde motto’s als (en het strekt tot de aanbeveling om dit in uw hoofd even met een Philip Bloemendaal-stem te lezen) ‘nietsdoen is des duivels oorkussen’ en ‘hard werken, fatsoenlijk leven en geen uitspattingen’ (Nu mag u weer in de gewone stand). Ze hebben namen als Jaone, Merien en Krijn, spreken over ‘petaoten’ en ‘sukerpeeën’ en roepen Zeeuwse dingen als ‘dat kun je wel begrijpen!’ Het idioom opent mijn medezeeuwenhart als de deur van de ’s Gravenpolderse Elimkerk op zondagochtend (en zondagmiddag, en zondagavond).

Jaone vertelt in ‘Landarbeiders’ bijvoorbeeld over haar moeder die ’s nachts kilometers liep om bij eb krukels te zoeken die ze kon verkopen. “En zo probeerde ze ons in leven te houden. Maar dan kreeg je natuurlijk nog bijna niks te eten. Zomaar een beetje petaoten met juun en watersaus. Anders was er niet. ’s Avonds mocht je wel eens een enkele keer om een bokking –en dan at je met z’n negenen van één bokking! Ja, zo was dat.”

Verderop zegt Marie (1914): “Ik kan me ook niet herinneren dat ik als kind Sinterklaas ooit heb gezien of dat we iets in onze schoen kregen. We hádden niet eens schoenen!”

De bejaarde Zeeuwen waren ooit zesjarigen die blootsvoets door regen en blubber kropen om voerpeeën uit te doen, die zo arm waren dat alleen vader en moeder een stoel hadden en de huus op de grond moesten zitten (“och ja, alles went jongen. Als de sleekachel maar een beetje brandde, dan was het toch lekker in huis”), voor wie gebakken varkensdarmen een traktatie waren waarnaar ze hele jaar uitkeken. Het is het repertoire van de Zangeres Zonder Naam, maar dan zonder effectbejag en rijm en écht gebeurd. En dat allemaal amper honderd jaar geleden.

Het werkt altijd: na een half uurtje Kees Slagertherapie ben ik weer bescheiden, deemoedig en dankbaar voor alles.

Dan zet ik mijn tanden in die krokante avocado, en zonder klagen eet ik hem op. Met pit en al.

Verschenen in De Volkskrant, 27 juli 2019